Vrijheid van spreken is opnieuw in de actualiteit, vanwege uiteenlopende uitspraken van  Geert Wilders. Wilders'uitspraken worden beschouwd als 'haat zaaien' . Zijn verdediging vindt dat onzin en stelt: er is gebrek aan verdraagzaamheid in de samenleving. Mijn vraag: Heeft men hier ten lande te lange tenen; voelt men zich te snel in de hoek gezet door Wilders?  Om te beginnen dit: de uitdrukking 'haat zaaien' is een beetje vreemd in de context van vrijheid van meningsuiting. Woorden die haat zaaien, hoe moet ik me dat voorstellen? Haat zaaien is een bezigheid net als mais zaaien. Het is een werkwoord dat gebonden is aan een persoon of personen, tijd en plaats. Haat zaaien is dus een handeling.  Wanneer de woorden: "willen we meer of minder Marokkanen...?"  gelden als haat zaaien, wat is dan dat zaaien en.... wat is dan de haat?  En hoe moet ik Wilders uitspraken dan afzetten tegen de blokkade van vluchtelingen in  Europa?  Kennelijk wordt hier het volgende bedoeld: 'Haat zaaien' heeft  te maken met het stellen van handelingen in een bepaalde context met een bepaalde intentie, namelijk de intentie mensen zodanig te beïnvloeden dat zijn het (recht op) bestaan van de ander in tijd en plaats ontkennen. Concreet: persoon A beïnvloedt persoon B zodanig dat persoon B persoon C niet in de omgeving verdraagt. De vraag bij 'haat- zaaien' is dan ook niet of persoon A persoon C kwetst. De vraag is of A in staat is gebleken persoon B te beïnvloeden in zijn houding ten aanzien van persoon C, zodanig dat de onverdraagzaamheid van persoon B het directe gevolg van de beïnvloeding van persoon A. Om de verantwoordelijkheid van A in dit geval aan te tonen is  zeer lastig, niet in de laatste plaats omdat B in de regel verantwoordelijk is voor zijn eigen daden en gedragingen ten opzichte van C. Maar stel nu dat persoon B persoon C al geruime tijd als een bedreiging beschouwt. In dat geval bevestigt persoon A alleen maar wat persoon B al lang dacht. Is dat dan ook haat zaaien? Wat A doet in dit geval is in feite een mening bevestigen of meningen verenigen. In dat geval zet A persoon B niet op tegen persoon C, maar A maakt zichtbaar dat er een groep B's is die de aanwezigheid van de groep C's niet kan verdragen in de samenleving. A doet in feite wat John Stuart Mill beoogde met zijn betoog over vrijheid van meningsuiting, namelijk hij geeft de B's een stem.  Het probleem met de vrijheid van meningsuiting in ons land draait dan ook niet zozeer om het verenigen van opvattingen, welke opvattingen dat ook mogen zijn, maar om het versluieren van de waarheid.  Het gaat dan om nepnieuws of stemmingmakerij op oneigenlijke gronden. In dat geval verschaft persoon A persoon B opzettelijk verkeerde informatie over persoon C. A zet in dit geval persoon B wel op tegen persoon C. Het is immers de bedoeling van persoon A dat persoon B zijn oordeel over persoon C gaat aanpassen op de informatie die A heeft verstrekt. .We zouden dit haat zaaien van persoon A kunnen noemen. Daarmee naderen we een belangrijk probleem dat ligt verscholen in de vrijheid van meningsuiting, zoals dat in liberale kring wordt verdedigd.  Een voorbeeld van Mark Rutte (2009) dat ook nu nog actueel is.. Hij stelde destijds dat het ontkennen van de holocaust niet strafbaar mag zijn.  De vrijheid van meningsuiting moet volgens de VVD  nadrukkelijk worden gegarandeerd. In de wet moet komen te staan dat vrijwel alles gezegd moet kunnen worden. Dus ook het ontkennen van de holocaust. "Ik vind het (het ontkennen van de Holocaust) een idiote stelling, maar je moet het wel kunnen zeggen", aldus Rutte toen als leider van een oppositiepartij. De stelling van Rutte heeft er veel van weg dat vrijheid van meningsuiting een doel in zichzelf is. Dat wil zeggen dat het uiten van een eigen mening - ongeacht de inhoud en ongeacht de gevolgen - altijd goed is.
 
 Maar wat betekent deze opstelling?  Dit betekent in feite dat aan de spreker geen voorwaarde kan worden gesteld met betrekking tot de inhoud en geen verantwoordelijkheid vraagt voor de gevolgen van zijn uitingen.  Hij hoeft immers niet redelijk te zijn, hij hoeft niet consistent te zijn, hij mag zichzelf tegenspreken etc. hij mag ook wat teweeg brengen of losmaken in de samenleving. Het is vrijheid van meningsuiting en moet worden gerespecteerd. Deze opstelling is vanuit liberaal oogpunt enigszins opmerkelijk te noemen, omdat de liberale opvatting over de vrijheid van meningsuiting toch wortelt in het gedachtegoed van onder meer John Stuart. Mill.

 J.S. Mill zag vrijheid van meningsuiting in welke vorm dan ook, steeds als een middel tot waarheid en waardigheid, hoe ruim hij de vrijheid van het individu ook zag. Voor J.S. Mill  was het vrije woord  toch vooral een middel om ook de vrijheid van de burger en het geluk te bevorderen van zoveel mogelijk mensen in de samenleving. Het vrije woord moest er voor zorgen dat achterhaalde opvattingen, tradities en wringende  ingeslepen gewoontes die mensen onderdrukken of misleiden aan de kaak werden gesteld. Achter deze opvatting van Mill schuilt een belangwekkende visie, namelijk dat achterhaalde, onderdrukkende en misleidende opvattingen, inzichten en dogma's het menselijk welzijn schaden. Mensen willen van nature 'lekker in hun vel zitten'; ze weten zelf wel; hoe het zit;  ze willen niet bedot en beknot worden.  Ze willen naar eer en geweten de waarheid kunnen horen en achterhalen. Vrijheid van meningsuiting kan daarbij behulpzaam zijn.
 
 Vanuit verschillende meningen en opvattingen die de ronde doen, kunnen mensen dan zelf een eigen mening of visie ontwikkelen. En... wat de meeste mensen dan goed vinden, dat zal ook het meeste geluk opleveren voor de meeste mensen en dat zal dus het goede zijn. Hier klinkt een belangwekkende opvatting van klassieke filosofen als Socrates en  Aristoteles door, namelijk: datgene wat heel veel redelijke mensen goed vinden, dat kan niet verkeerd zijn. Vrijheid van meningsuiting maakt mensen bewust van het goede en bevordert op deze wijze het geluk van zoveel mogelijk mensen volgens Mill. Dat geluk wordt  dus niet rechtstreeks ontleend aan de vrijheid van meningsuiting, maar aan de vrijheid om zich als wilsbekwaam en autonoom persoon te ontwikkelen en te manifesteren in een gemeenschap of samenleving. Het streven naar vrijheid van meningsuiting heeft dus bij Mill een achterliggend doel, namelijk: de vrijheid van persoonlijke ontplooiing van het individu.

Samenvattend:  Vrijheid van meningsuiting heeft ten diepste te maken met de vrijheid tot waarheidsvinding. Het individu dient in de gelegenheid te worden gesteld  om te kunnen ontdekken hoe het zit , in hem- of haarzelf, in de gemeenschap en in de wereld. Daarmee missen de liberalen een tijdloze snaar in de dialoog over vrijheid van meningsuiting in de samenleving, de rechtspraak, de politiek en het persoonlijk leven als gaat om waarheidsgetrouwe en waardige benadering van personen.

Feel good theorie. Wanneer we nu terugkeren naar de stelling, dat je in feite alles mag zeggen, ook al gaat dat in tegen alle wetten van de logica en de beleving van waarheid wat zeg je dan en wat bereik je dan? Hoe kun je tegelijkertijd liegen accepteren en stellen dat je de waarheid zoekt en persoonlijke ontplooiing voorstaat van jezelf en anderen?  Dat is toch met elkaar in tegenspraak? Het dilemma laat zich door een ander voorval in de politiek met dezelfde hoofdrolspeler goed illustreren. Het debat over de initiatiefwet lag inmiddels ver achter ons. De oppositieleider van toen was inmiddels premier.  Het kabinet Rutte 1 werd eens onaangenaam verrast door een opmerking van een gast bij een ontbijtprogramma,  dat mensen hun eigen geld maar beter van een specifieke bank konden weghalen omdat die bank niet deugde en misschien wel zou omvallen.
 
Het gaat hier natuurlijk over de actie van de heer Pieter Lakeman. Lakeman werd evenwel door het kabinet publiekelijk gekapitteld.  Dat had Lakeman niet mogen zeggen, was de mening van het kabinet en de Nederlandse Bank, want zulke uitspraken wekken beroering bij heel veel mensen. Men dreigde zelfs met juridische stappen. Kortom: het op straat poneren van kennis, die het vertrouwen in financiële instellingen ondermijnt, moet worden vermeden. Maar hoe is dat te rijmen met vrijheid van meningsuiting? Sterker, Lakeman had volkomen gelijk. Hij deed zelfs geen idiote uitspraken om maar in de terminologie van Rutte te blijven. De bank deugde niet en het toezicht van de overheid had beschamend gefaald. Maar  het gaat hier niet om gelijk of ongelijk, hier gaat het om het principiële standpunt van vrijheid van meningsuiting.

Samenvattend: Rutte is dus nu eens van mening dat vrijheid van meningsuiting doel in zichzelf is, dan weer is het ondergeschikt aan een belang. Rutte stelt in feite soms mag je liegen als het over de holocaust gaat en soms - als om geld gaat- moet je niet de waarheid vertellen, want dat is vervelend en heeft financiële gevolgen voor velen. Let wel: de premier is volkomen consistent aan zijn eigen redenering. Je mag liegen als het zo uitkomt en je mag de waarheid monddood maken als dat op een ander moment beter past, om het met elkaar leuk te houden. Maar is dit in een samenleving redelijk vol te houden? Is Rutte dan de liberale weg van Mill helemaal kwijtgeraakt? Je zou het denken, maar dat is niet helemaal zo.  In zekere zin heeft de stellingname van Rutte ook iets te maken met de opvatting van Mill, die we in ons project behandelen, waarin we de theorie van Mill aanduiden als een `feel good`- theorie. We zullen deze theorie eerst onder de loep nemen alvorens we terugkeren op de uitspraken die Geert Wilders heeft gedaan.