Bureau voor Morele vraagstukken en Geestelijk welzijn

Vrijheid van meningsuiting PDF Print E-mail
  
In de huidige discussie over de idee van vrijheid van meningsuitting wordt wel de indruk gewekt dat de vrijheid van het woord een doel in zichzelf is. Dat wil zeggen: Een doel dat om zichzelf wordt nagestreefd, omdat het goed is voor de persoon, de gemeenschap of de samenleving, zoals ook gelukals hoogste doel  wordt nagestreefd. We kunnen dit hoogste doel ook in negatieve zin formuleren: alle handelingen  die we stellen om bijvoorbeeld pijn te vermijden. Het vermijden van pijn is een doel in zichzelf, omdat we allemaal pijn als onprettig ervaren. We doen er dus van alles aan om pijn te vermijden. Pijn staat ons in de weg om ons leven te leiden, zoals we dat graag willen. Maar is  vrijheid van meningsuiting nu van dezelfde orde als bijvoorbeeld geluk en de vrijheid van pijn?  Anders gezegd: is vrijheid van meningsuiting nu een doel in zichzelf, of is het een middel om (een hogere vorm van) geluk te bereiken of een verdere bevrijding van pijn te verwezenlijken?? Om die vraag te kunnen beantwoorden moeten we eerst eens nader kijken naar het begrip vrijheid van meningsuiting.

Ten eerste moeten we vaststellen dat vrijheid van meningsuiting een samengesteld begrip is. Dat wil zeggen dat vrijheid van meningsuiting is opgebouwd uit verschillende begrippen, namelijk de vrijheid, de mening en de uiting. In een regulier woordenboek worden alle begrippen afzonderlijk verklaard. Bij het begrip vrijheid wordt al een onderscheid gemaakt tussen vrijheid van en ‘vrijheid tot’… Vrijheid van wordt uitgelegd als  ‘gevrijwaard van…’, bijvoorbeeld: vrij van ziekte, vrij van onderdrukking etc. Daarnaast is er de ‘vrijheid  tot’… het maken van keuzes bijvoorbeeld. Vrijheid tot is dus vooral gericht op de mogelijkheden. Van het begrip ‘mening’  wordt gezegd dat het een waardeoordeel is; een persoonlijke of collectieve opvatting over gebeurtenissen, toestanden of standen van zaken. Bij het begrip ‘uiting’ lezen we ‘een uitspraak’. Maar in bredere zin zouden we ook van uiting kunnen zeggen dat het een een communicatievorm is, waarin een opvatting of standpunt of oordeel ligt besloten.

Laten we nu eens wat dieper ingaan op de afzonderlijke begrippen. Het begrip 'vrijheid' wordt in het algemeen spraakgebruik en in het begrip ' vrijheid van meningsuiting' in de regel verstaan als vrijheid tegenover derden. Maar de omschrijving van het begrip vrijheid heeft ook duidelijk een intrapersoonlijk lading zagen we hiervoor al in de betekenis van ‘vrijheid van’. Vrijheid van of gevrijwaard zijn van ziekte of van overheersing. En natuurlijk het onderwerp hier ter sprake vrijheid van meningsuiting. Let wel vrijheid van meningsuiting is in de lijn van het zojuist verklaarde begrippenkader een contradictio in terminis. Wat wordt bedoeld, is natuurlijk: gevrijwaard zijn van de belemmering om mijn mening te geven. Maar terug naar het intrapersoonlijk element van ‘vrijheid van’. De mate waarin ik een beperking of ziekte ervaar is zeer persoonlijk. Ziekte kent empirisch waarneembare elementen, als koorts, zwelling, vergroeiing of handicap. Maar de mate waarin de ziekte wordt ervaren, verschilt van persoon tot persoon. Dat geldt ook voor de beperkingen ten aanzien van de meningsuiting.  Een ieder kan toch denken wat men wil?  Ja, tot op zekere hoogte. Maar weinigen ontkomen er aan dat men door omstandigheden, emoties, overtuigingen, opvoeding, opleiding, morele intuitie, cultuur, gewoonte of deugden wordt gestuurd in de eigen vrijheid van meningsvorming. Het is goed dat men zich dat realiseert. Maar dat doet aan de principiële vrijheid toch niets af?  Nee, in theoretische zin niet, maar in de praktijk kunnen we ons niet losmaken van de context waarin ervaringen zich voordoen. 

Zoals er geen objectief en algemeen geldend oordeel bestaat over ‘het goede leven’, zo bestaat er ook geen algemeen geldend oordeel over vrijheid van meningsuiting. Vrijheid van meningsuiting is dus een waardeoordeel dat men toekent aan een persoonlijke ervaring van vrijheid, nog steeds in mijzelf.  Maar nu de centrale vraag: heb ik die intrapersoonlijke vrijheid, omwille van de vrijheid? Nee, wellicht niet. Met die vrijheid doe ik immers iets. Ik ontwikkel mij, ik maak keuzes, ik erger me, ik verwerp een opvatting of gedachte en soms walg ik zelfs van iets. Of daartegenover: ik herken door de vrijheid mijn verlangens, of beter: de rangorde in m’n verlangens. Door de vrijheid kan ik mijn verlangens ook beter ontwikkelen. Door de vrijheid sta ik mezelf toe te twijfelen en te weifelen en te wegen bij het maken van m’n keuzes. Die intrapersoonlijke vrijheid doet nog veel meer, maar dat terzijde. Het gaat hier om een illustratie van de rol van de intrapersoonlijke vrijheid. Daarbij zien we dat vrijheid een middel is tot een nader te bepalen doel. Daarmee kunnen we al een eerste licht werpen op het begrip vrijheid van meningsuiting. We constateerden al dat de term 'vrijheid van meningsuiting'  een contradictio in terminis is. Maar we zien tegelijkertijd dat die belemmering in de intrapersoonlijk context aanwezig is. We zijn gebonden aan onze persoon, opvoeding, cultuur etc. Er bestaat dus niet zoiets als een absolute vrijheid van meningsuiting.

In de volgende stap gaat het om de vraag naar vrijheden ten opzichte van derden. Om te beginnen ben ik niet vrij van de ander. De ander is er. Sterker nog: vrijheid van veronderstelt het bestaan van de ander en het andere. Vrijheid van meningsuiting geeft een relatie aan tot de ander, of beter: de ruimte die de participanten in de relatie jegens elkaar kunnen realiseren.   Die ruimte kan functioneel zijn voor de intrapersoonlijke afwegingen, zoals we hiervoor al zagen. Maar mijn afwegingen, weifelingen en keuzes worden niet alleen intrapersoonlijk, maar vooral ook interpersoonlijk bepaald. Vrijheden, zowel in positieve (vrijheid tot) als in negatieve zin (vrijheid van), zijn in hoge mate gerelateerd aan de ander. Een ‘vrijheid tot’  veronderstelt de mogelijkheid tot. Er moeten dus voorzieningen zijn die een dergelijke vrijheid ook realiseerbaar maken, bijvoorbeeld vrijheid van nieuwsgaring. Er moet in dat geval een voorziening/vrijheid zijn die toegang verleent tot omstandigheden, sitiaties of bronnen. Bij vrijheid van meningsuiting is dat niet anders. Er moet gelegenheid zijn om de uiting te kunnen doen. Of beter: er moet ruimte in tijd en plaats zijn om de uiting te realiseren in zintuiglijk waarneembare vorm of vormen., zonder belemmering vooraf of sanctie achteraf. 

Maar nu de vraag: Waarom zou een gemeenschap of groep die ruimte en tijd verlenen aan iemand om een mening te geven? We hebben immers gezien dat vrijheid van meningsuiting geen doel in zichzelf is, maar een middel tot een ander doel. Het ligt dus in de lijn der verwachtingen dat een samenleving of groep ruimte en tijd verleent voor een vrijheid van uiting wanneer men daar een positief doel in kan ontdekken voor de verdere antwikkeling van de meningsvorming voor individu of collectief. Vrijheid van uiting kan dus van belang zijn voor de vorming, ontwikkeling van een mening en in dat verlengde de ontwikkeling of handhaving van de eigen identiteit, een eigen levenverhaal, een eigen levenspad, een eigen waarheid voor persoon of collectief. In het verlengde hiervan zou je kunnen zeggen dat vrijheid van meningsuiting in dat geval vrijwel samenvalt met de vrijheid tot waarheidsvinding. Het eigenlijke, het ware bezitten, is in feite een finaal doel in het leven van een ieder. Vrijheid van meningsuiting is daarvoor een onmisbare schakel of toegangspoort. Het is dus nastrevenswaardig om vrijheid van meningsuiting in de zin van vrijheid tot waarheidsvinding ruimte te geven. Dat is wat er in de praktijk ook gebeurt. Van wetenschappers wordt verwacht dat ze persoonlijke overtuigingen en andere niet verifieerbare opvattingen terzijde leggen terwille van de waarheidsvinding. Hoofdconclusie blijft echter dat vrijheid van meningsuiting hoe dan ook een middel is tot een doel. Er zijn dus hogere doelen dan de vrijheid van meningsuiting. Dat laat zich goed illustreren door een praktijkvoorbeeld. De discussie over de vrijheid van meningsuiting die VVD-politicus Rutte aanzwengelde, is hiervoor illustratief. Vrijheid van meningsuiting mag van de VVD politicus  ook zover gaan dat de holocaust wordt ontkend. Het zoeken naar waarheid en het ontkennen van waarheid wegen voor de politicus dus even zwaar.  Z’n uitspraak heeft dan een onzinnig gevolg. Hij zou evengoed kunnen beweren dat Churchil, Stalin en Eisenhower niet hebben geleefd.  Rutte verloor zijn geloofwaardigheid precies omdat zijn voorstel niet alleen de waarheidsvinding belemmert, maar omdat de waarheid ontkend wordt . En daarmee tart hij de waarneming en beleving van vele miljoenen mensen, die geleden hebben door oorlog en verdrukking.  Kortom: vrijheid van meningsuiting is geen doel in zichzelf en moet derhalve worden begrensd wanneer hogere doelen in het geding zijn. De vraag is nu, waar ligt die grens?? Vrijheid van meningsuiting asl vrijheid van waarheidsvinding kan ook leiden tot het prikkelen van mensen. Het kan mensen in vertwijfeling brengen, omdat bestaande ‘heilige huisjes’ geen waarheden blijken, maar slechts vermeende waarheden blijken te bevatten.

Is in dat geval waarheidsvinding verantwoord, ook wanneer dit leidt tot grote verontwaardiging vanuit bijvoorbeeld een geloofstraditie??  

De gevolgen daarvan behandel ik in deel 2.